‘Reden voor hoop’ – Preek van de leek van Roelof Bos 21 februari 2016 in de Witte Kerk van Heiloo

Welkom, ook aan musici: fluitistes Aysha Wills en Liselotte Schricke, studenten van het Conservatorium van Amsterdam

Het is zo gekomen: in een gesprek met Marieke Hoetjes van de katholieke kerk zei ik dat ik mijzelf beschouwde als een gelovige atheïst, nou daar wilde zij meer van weten, en vervolgens ook de werkgroep ‘Rond de waterput’ van de gezamenlijke kerken: dank voor de uitnodiging!

Eerst maar dat atheïsme van mij, dat heb ik van huis uit meegekregen. Mijn moeder werd weliswaar in 1906 als katholiek meisje in Wenen geboren en mijn vader weliswaar in 1907 in Den Haag in een protestants christelijk gezin en bezocht de ‘School met de bijbel’, maar deze twee lieve mensen vonden elkaar (onder meer) in de afzwering van het godsgeloof. Vanaf 1946 woonde ons gezin in Maastricht, waar mijn vader lid werd van het Humanistisch Verbond.

Mijn vader vond eigenlijk zijn bijbel in de boeken van Willem Elsschot, waar hij dol op was, en toen mijn goede vader in 2000 overleden was, hebben wij als naaste familie in de rouwadvertentie, ook in het dagblad De Limburger, enkele dichtregels van Elsschot opgenomen, wij vonden dat toen nog wel lichtjes provocerend, maar vooruit. Dit zijn die dichtregels:

Priesters zalven en beloven
Maar ik kan het niet geloven
Nee er is geen wenden aan
Als we dood zijn is het gedaan

 

En toch hebben geloof, hoop en liefde betekenis in mijn leven. Ik ga proberen u daar wat van mee te geven. Maar verwacht van mij geen grootse vergezichten. Ik probeer altijd bij de realiteit te blijven en ik kan mij vinden in de krasse uitspraak van de oud-bondskanselier Helmut Schmidt, onlangs overleden, die zei: ‘Wie visioenen heeft, moet naar de dokter’ (hij zei dit uiteraard in een politieke context). Ik heb mijn preek ‘Reden voor hoop’ genoemd: daarmee wil ik aangeven dat hoop kan worden gebaseerd op reële omstandigheden en reële verwachtingen en op beschouwing van reële historische ontwikkelingen. Geloof komt bij mij voort uit persoonlijke levenservaring, en dat geldt voor mij ook voor het begrip liefde. Met uw welnemen laat ik het begrip liefde vanmiddag buiten beschouwing, en weid ik wel uit over mijn redenen voor hoop. Over mijn geloof kort het volgende.

Ik ben in mijn leven steeds meer gaan ervaren dat er zowel krachten als personen zijn die het goede in mensen wakker roepen. Een persoon als Nelson Mandela is een prachtig voorbeeld. En we kennen ook allemaal het gezegde ‘Wie goed doet, goed ontmoet’. Mijn ervaring is dat dit waar is, ik geloof hier dan ook sterk in, en ik word liever een keer teleurgesteld, wat eigenlijk nooit gebeurt, dan dat ik dit geloof zou willen opgeven. Ik doe mijn best om naar-medemensen-toe goed en eerlijk te handelen, met aanzien des persoons. Mijn streven naar goed handelen brengt mij voor mijn gevoel in hogere sferen, brengt mij voor mijn gevoel tot zuiverder verhoudingen met medemensen, en ik kan mij niet anders voorstellen of dat moet door anderen ook zo ervaren kunnen worden, in elk geval is dit voor mij een uitgangspunt in gesprekken hierover.

Dat is mijn geloof.

Straks neem ik mijn aanloop naar mijn redenen voor hoop.

Eerst een stukje autobiografie. Ik ben geboren in september 1945 in Den Haag, en kort voordat ik 1 jaar werd verhuisden wij als gezin naar Maastricht, waar ik mijn hele jeugd heb doorgebracht (en ik spreek ook heus dialect). Uiteraard heb ik daar op een openbare lagere school gezeten, en vervolgens kwam ik op het Stedelijk Lyceum terecht, preciezer het gezegd Stedelijk Gymnasium. Ik was een fervent voetballer, maar wat trof ik daar aan: daar werd gehockeyd, en getennist, maar niet gevoetbald. Met mijn klasgenoot Felix heb ik op dat gymnasium een voetbalclub opgericht: ik beschouw dit nog steeds als een van mijn creatiefste daden ooit!


Met 18 jaar kwam ik vanuit Maastricht terecht in Amsterdam, in 1963, studie politieke en sociale wetenschappen. De overgang van de rustige kleinere stad Maastricht naar het drukke roerige Amsterdam was voor mij een cultuurschok, en het kostte mij enige tijd om bij mijn positieven te komen. Ik nam deel aan een Maastrichtse tak van Provo door het schrijven van artikelen. Ik nam niet deel aan, maar was toeschouwer bij de studentenbeweging en kon me zeker niet vinden in de marxistische ideologieën die toen zo in zwang waren. In de eindfase van mijn studie ontdekte ik de politieke denker Hannah Arendt, en er ging een wereld voor mij open. Over haar schreef ik mijn doctoraalscriptie en zij werd voor mij een levenslange inspiratie. Deze Preek van de leek is dan ook mede een soort belijdenis van wat ik van deze bijzondere denker heb opgestoken.


Hannah Arendt werd in 1906 geboren in Hannover in een vrijzinnig joods gezin en groeide op in Koningsbergen in het toenmalige Oost-Pruisen. Zij studeerde filosofie, theologie en Griekse taalkunde aan diverse Duitse universiteiten, met als belangrijke leermeesters Martin Heidegger en Karl Jaspers. Na haar promotie bij Jaspers in 1928 leefde zij als schrijfster voor nieuwsbladen en tijdschriften in Frankfurt en Berlijn. In 1933 werd zij bij een huiszoeking door de Gestapo gearresteerd. Na haar vrijlating trok zij in hetzelfde jaar nog naar Parijs, waar ze tot 1940 woonde. Ze was daar werkzaam in het joods maatschappelijk werk, in het bijzonder als leidster van de ‘Jeugdalijah’, een organisatie die de opvang, opleiding en emigratie naar Palestina behartigde van jonge joodse vluchtelingen. Rond 1935 moet zij kennis gemaakt hebben met Heinrich Blücher, een vrijzinnige socialist, met wie zij dertig jaar getrouwd is geweest.

In 1940 emigreerde zij naar de Verenigde Staten. In 1951 werd zij Amerikaans staatsburger. Zij doceerde aan vele Amerikaanse universiteiten, zoals Berkeley, Chicago en Princeton. Halverwege de jaren zestig werd zij hoogleraar voor politieke filosofie aan de New School for Social Research in de stad New York, op Manhattan, waar ik haar voetsporen heb opgezocht in 1985, maar toen was ze al 10 jaar dood.

Dames en heren, we hebben tegenwoordig in Nederland een Denker des vaderlands, op dit moment is dat professor Marli Huijer. Deze vrouw merkte op dat het typisch genoeg mannelijke filosofen zijn die de sterfelijkheid van de mens onderstrepen, en dat vrouwelijke filosofen meer oog lijken te hebben voor het nieuwe dat mensen in de wereld brengen, dit kunnen we in tegenstelling tot de sterfelijkheid de geboortelijkheid noemen. Hannah Arendt stelde dit begrip helemaal centraal en zij noemde het op z’n Latijns: nataliteit… (Een woord dat we kunnen herkennen door termen als prenataal en postnataal.)

In haar hoofdwerk ‘De menselijke conditie’ van 1958 argumenteert Arendt uitgebreid dat een mens zichzelf als persoon niet realiseert door zijn economische activiteiten, arbeid dus, en werk, maar wel door in de samenleving handelend op te treden en zich als burger te manifesteren. Dit handelen, in actie komen, is dus te beschouwen als de hoogste menselijke activiteit. Het is het spreken van woorden en het stellen van daden. Hier komt geen materie aan te pas, en het is ook nooit een eenzame activiteit, het gaat om … initiatieven … die per definitie plaatshebben tussen mensen. Dit is de actie die u vanmiddag nog kunt ondernemen (wat mij betreft wel als ik uitgepraat ben!). Deze actie, dit nieuwe begin, dit initiatief, dit handelen … kan gericht zijn op een doel, maar … het ontleent zijn betekenis niet zo zeer aan dit doel, het heeft betekenis, het heeft zin in zichzelf, of beter gezegd het stelt u als persoon, als individu tegenwoordig, u laat zien wie u bent. U bent een vernieuwer! U bent hier vrij in! Dit is de realisering van uw geboortelijkheid, uw nataliteit!

En dat is wat wij in onze maatschappij overal om ons heen kunnen waarnemen. Mensen nemen hun lot in eigen hand, richten samen collectieven op, of het nu is voor het welzijn van de buurt, voor groene energie, voor zorg, voor kinderen, noem het op. Dit is in elk geval de maatschappij zoals ik haar waarneem. En aan deze waarnemingen ontleen ik mijn optimisme, en dat geeft veel reden voor hoop, en hier zouden we ook van geloof mogen spreken, geloof namelijk in de scheppende krachten van mensen, die samen zo veel tot stand kunnen brengen.

Ik zie dus inderdaad een civil society voor mij, als hedendaagse werkelijkheid, waarin mensen, bewoners, burgers verantwoordelijkheden oppakken, ja ook vreugde beleven aan spontaan, niet opgelegd samenwerken.

De vraag zou dan kunnen zijn: kunnen mensen op deze wijze nu ook een samenleving maken? Anders gezegd: zouden we dan kunnen spreken van een maakbare samenleving (ook al zou het zijn op microniveau of mesoniveau)?

Mijn antwoord is ja en nee. Door Hannah Arendt wordt keer op keer beschreven dat gevolgen van handelen per definitie onzeker, ja onvoorspelbaar zijn, en dat komt door de ketens van reacties die door handelen worden opgeroepen. Ik denk dat we dit allemaal wel kennen: je handelt met een bepaald doel voor ogen, maar, omdat je voor het bereiken van dat doel uiteraard met anderen te maken hebt, kom je ergens anders uit. Dat is natuurlijk omdat ieder in dat proces het zijne of het hare inbrengt. Een van mijn motto’s is dan ook: het loopt altijd anders dan je denkt.

Dit soort onvoorspelbaarheid kan wel getemperd worden door beloften die mensen aan elkaar doen, door afspraken die aan het begin van een proces gemaakt worden, in de vorm van contracten en dergelijke. In de politiek is dat een bekend fenomeen, en dan bedoel ik het fenomeen van de regeerakkoorden, die op plaatselijk of regionaal niveau collegeakkoorden worden genoemd.

Zulke politieke akkoorden zullen nooit alles kunnen afdekken! Een minister, maar ook een wethouder, maar ook een gemeenteraadslid mag er zeker van zijn dat hij of zij niet alleen te maken krijgt met akkoorden die uitgevoerd moeten worden, maar ook met gebeurtenissen die zich niet laten voorspellen, die voortkomen soms uit natuurrampen, soms uit daden met een criminele inslag, maar altijd zal er ook sprake zijn van onverwacht spontaan handelen van mensen, met alle repercussies van dien.

Nataliteit dus! Onvoorspelbaarheid! Wezenskenmerken van een vrije samenleving.

Zulke vrijheid, met al z’n toevalligheden, was een gruwel voor de grote totalitaire systemen die de eerste helft van de 20ste eeuw hebben gestempeld. Hannah Arendt heeft in haar boek ‘Totalitarisme’ van 1951 deze systemen diepgaand beschreven: het Russische communisme en het Duitse nationaal-socialisme. Globaal gezegd waren ze voor haar één pot nat, beide namelijk gericht op de totale beheersing van het maatschappelijk leven, met als consequentie ook beheersing van het privé leven, en beide gebaseerd op het zondebok-denken en het vernietigen van de zondebok.

Over Hannah Arendt is een bioscoopfilm gemaakt, een soort docudrama, geschreven en geregisseerd door Margarethe von Trotta met in de hoofdrol Barbara Sukowa. De film is in 2013 uitgekomen en laat zien dat Arendt, en dat is allemaal echt zo gegaan, in het begin van de jaren 60 in Jeruzalem de berechting bijwoont van Adolf Eichmann, die door de Israëlische geheime dienst in Argentinië gevangen is genomen. Hannah Arendt zit op de perstribune, samen trouwens met Harry Mulisch, die hierover zijn boek ‘40/61’ schreef. Zij zit daar voor het tijdschrift The New Yorker. Haar verslagen in The New Yorker, vervolgens gebundeld in het boek ‘Eichmann in Jerusalem’, maakten een enorme controverse los, vooral in de joodse wereld. Arendt beschrijft Eichmann namelijk als een miezerig mannetje, een ambtenaartje, dat alleen maar orders uitvoert. Eichmann is van alles op de hoogte, maar acht zich niet verantwoordelijk. In het proces in Jeruzalem verwijst hij alsmaar naar de bevelen die hij kreeg. Arendt spreekt in dit verband van ‘de banaliteit van het kwaad’: zo’n miezerig mannetje terwijl de gevolgen behoren tot het domein van wat Arendt in navolging van Immanuel Kant ‘het absolute kwaad’ noemt. De boodschap van Arendt is: ‘Niemand heeft het recht om alleen maar te gehoorzamen/Keiner hat das Recht zu gehorchen’.

Overigens beschouwt Arendt het vergeven als essentieel voor het voortbestaan van menselijke gemeenschappen, in het groot zowel als in het klein. Een zeer sprekend en redelijk recent voorbeeld, wat zij niet meer heeft meegemaakt, is de Waarheids- en Verzoeningscommissie die in Zuid-Afrika werd gevormd na de val van het apartheidsregime, ik citeer uit een boek van de Vlamingen De Schutter en Peeters dat onlangs over Hannah Arendt is uitgekomen [blz. 54]:

‘Nelson Mandela [begreep] dat zijn land in de eerste plaats voor de opdracht stond om het gedane kwaad uit het verleden onder ogen te zien en ermee in het reine te komen. In haar verslag over de werking van de Waarheids- en Verzoeningscommissie behandelt Pumla Gobodo-Madikizela uitgebreid het vraagstuk van het vergeeflijke en het onvergeeflijke. Ze gaat in op de gruwelpraktijken van de doodseskaders onder het apartheidsregime. De wreedste uitvoerder van de geheime operaties van dit regime was Eugene de Kock, bijgenaamd Prime Evil. De auteur heeft deze man, die tot 220 jaar gevangenisstraf veroordeeld werd, herhaaldelijk in zijn cel bezocht. Daar heeft ze ervaren dat hij niet alleen zijn aandeel in het moorddadige apartheidsregime toegaf, maar ook de wens uitte om aan de weduwen van zijn slachtoffers zijn excuses aan te bieden. Dit laatste is ook gebeurd en er is een bijna miraculeuze verzoening ontstaan tussen de killer De Kock en de vrouwen wier leven hij zo onherstelbaar beschadigd heeft. […] Met zijn spijtbetuigingen probeert De Kock opnieuw zijn plaats in de wereld van de mensen te veroveren. De mogelijke vergeving van deze gruweldaden hangt dus samen met de erkenning dat er extreem kwaad geschied is en met het feit dat er om vergeving gevraagd wordt – twee elementen die bij Eichmann ontbreken.’ Einde citaat.

[HIER CESUUR VOOR EERSTE MUZIKAAL OPTREDEN: TELEMANN]

Dames en heren, in de aankondiging van mijn preek hebt u kunnen lezen dat de preker/spreker zal ingaan op het aanzien van de politiek. Over de politiek wordt veel kwaad gesproken, terwijl zowel op nationaal als internationaal niveau enorme vooruitgang is geboekt, en daar wil ik het over hebben. Als afsluiting van de preek kom ik met enkele kritische opmerkingen over de journalistiek van tegenwoordig.

Als ik een oordeel mag geven over onze eigen Nederlandse regering, dan constateer ik dat het kabinet van VVD en PvdA er in is geslaagd om alle belangrijke hervormingen door te voeren die nodig waren ter bestrijding van de economische crisis, en dat is gebeurd met deelname van maatschappelijke organisaties zoals vakbonden en milieugroeperingen. Denk aan de akkoorden die er zijn gekomen inzake de pensioenen, de energievoorziening, milieubeleid, sociale zekerheid en zorg. Dat in de parlementaire besluitvorming hierbij oppositiepartijen betrokken zijn, met name in de Eerste Kamer, is geen bewijs van armoede, maar van verstandig besturen. Het laat ook zien dat er in bijzondere tijden in ons land min of meer nationaal geregeerd kan worden, laten we daar positief over zijn.

Op politici, en zeker op de Haagse politiek, wordt nogal eens afgegeven. Dat heet ook wel politici bashing. Het heeft mij pijn gedaan dat een toch zo geachte persoon als Herman Finkers in zijn oudejaarsconference zich hieraan overgaf…, dit soort Wilders-achtig cynisme had ik van hem niet verwacht. Ik wil het niet hebben over die paar rare figuren die je in elke grotere organisatie tegenkomt, dus ook op het Binnenhof, ik wil kijken naar het probleemoplossend vermogen van het Binnenhof als geheel, daarom had ik het zo-even over die hervormingen.

Want ja hoe staat Nederland er eigenlijk voor?

Een man die dit beoordelen kan is de socioloog Paul Schnabel, thans lid van de Eerste Kamer, voor D66, maar hiervóór jarenlang directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau, van 1998 tot 2013. Ik las een interview met hem in Het Parool aan het begin van dit jaar, waarin hem de vraag werd voorgelegd: We blijven maar somberen, wat vindt u daarvan? Dan zegt Schnabel: 'Dat hoeft niet. Nederland staat in de top vijf van meest concurrerende economieën. Ons onderwijs behoort tot het beste ter wereld. We zijn een topland qua wetenschappelijke publicaties. Zelfs onze spoorwegen staan in de top tien. […] Qua bruto binnenlands product staat Nederland in de top drie van de EU. Onze arbeidsparticipatie is een van de hoogste van Europa. Deeltijdarbeid is een fantastische verworvenheid. Laatst schreef een Australische inwoonster van Amsterdam in The Washington Post jubelend over de relaxte moeders hier. Dat was overdreven, maar er zit iets in.'

Vraag aan Schnabel: Waar komt [dan] het idee vandaan dat het slecht gaat? Antwoord: 'Van de media. Bij het Sociaal Cultureel Planbureau zeiden journalisten vaak [tegen mij]: jij komt altijd met goed nieuws. Ik zei dan: nee, wij laten zien hoe het land er echt voor staat. Maar goed nieuws is geen nieuws en slecht nieuws is zichtbaarder dan ooit. [Daar komt bij dat] het pedagogische karakter van media is verdwenen. De publieke omroep en de kranten stonden vroeger in dienst van de volksopvoeding. Dat hebben ze allemaal losgelaten.’

Schnabel legt de vinger nog op twee ontwikkelingen die hebben gemaakt dat het lijkt of de intensiteit en de omvang van de problemen in de samenleving groeien. Ten eerste de opkomst en uitbreiding van de commerciële televisie, hierdoor zijn de media in het algemeen 'in steeds emotionelere termen' gaan berichten. 'Dat is inmiddels […] versterkt door de alomaanwezigheid van de sociale media. Dat maakt de beleving van de problemen wel veel intenser en dan lijken [die problemen] ook groter'.

Dames en heren, ik heb het als wethouder in deze mooie gemeente natuurlijk ook meegemaakt dat we als college van Burgemeester & wethouders door burgers met of zonder persmedia werden aangevallen over individuele uitvoeringskwesties. Het was dan altijd goed niet alleen om zorgvuldig hierop in te gaan maar ook om cijfers van representatieve klanttevredenheidsonderzoeken bij de hand te hebben, daarbij waren tevredenheidspercentages van 80 of 90 procent heel normaal, en ik zou niet weten waarom dat nu anders zou zijn.

Laat mij tegen het einde van mijn preek nu nog kijken naar de vooruitgang op wereldschaal, die is er wel degelijk! Ik meen dat we oog mogen hebben voor en ook enig vertrouwen mogen hebben in de ontwikkeling van een internationale wereldorde, met een zekere mate van rechtsorde. Ik let daarbij op werkzaamheden van de Verenigde Naties en ook van instellingen als bijvoorbeeld het Internationaal Strafhof in Den Haag, dat misdaden tegen de menselijkheid berecht. Het is toch wel bijzonder dat daar Karadzic en Mladic berecht worden, evenals een aantal Afrikaanse massamoordenaars.

Dames en heren, ik stel graag nog de Nederlandse historicus en journalist Rutger Bregman aan u voor. Hij is 27 jaar en hij schrijft voor het digitale tijdschrift De Correspondent, hij schrijft hierin onder de titel Correspondent van de vooruitgang. Ik citeer uit een interview met hem in het blad Humo van begin van dit jaar. Hij komt met de volgende constateringen:

'Vooruitgang is de norm geworden, en belangrijker nog: sinds 30, 40 jaar geldt dat voor vrijwel iedereen.

Azië en Afrika [ten zuiden van de] Sahara zijn de sterkst presterende regio's van de wereld. […]

In landen als België en Zweden stierf 200 jaar geleden een derde van de kinderen voor hun 5de, nu een fractie van een procent. Het aantal kinderen per vrouw is gedaald van zeven tot minder dan twee. In Bangladesj is precies hetzelfde gebeurd, alleen [is dat gebeurd] in de periode van 1970 tot nu.'

'De kindersterfte […] is volgens de Wereldgezondheidsorganisatie sinds 1990 gehalveerd: [Bregman noemt dat] […] de grootste triomf van onze tijd'.

'In 1980 was 20 procent van de wereldbevolking gevaccineerd tegen polio, mazelen en tuberculose, nu 80 [procent]'.

‘Als je aan mensen vraagt hoeveel kinderen wereldwijd naar school gaan, zeggen ze: '30, misschien 40 procent'. Terwijl het voor meisjes alleen al 90 procent is.'

'Voor 1800 leefde 95 procent van de wereld in extreme armoede: dat cijfer is dit jaar – de VN legt de lat nu op 1 dollar 80 per dag – voor het eerst onder de 10 procent gezakt. Dat had op alle voorpagina's moeten staan', aldus Bregman.

Vraag van de interviewer: toch 'bestaat er een aanhoudend gevoel van crisis en onbehagen'. Bregman: 'Onze belangrijkste informatiebron over de wereld is het nieuws. Maar het nieuws gaat steevast over uitzonderingen, en het slechte wordt uitzonderlijker naarmate het beter met ons gaat.’

Over geweld: 'Tijdens de middeleeuwen lag het moordcijfer 40 keer hoger dan nu. […] Geweld was een deel van het dagelijks leven: mensen werden openbaar geëxecuteerd en op de hoek van de straat werden dieren op de meest afgrijselijke manier gemarteld.'

Over terrorisme: 'allesbehalve nieuw. De eerste golf is aan het einde van de 19de eeuw gekomen met de anarchisten, die de zogenaamde 'propaganda van de daad' gingen voeren, net als IS vandaag. Nadien hebben we links en nationalistisch terrorisme gehad', hierbij gaat het uiteraard onder meer om de IRA, de ETA, de RAF in Duitsland, de Rode Brigades in Italië. Bregman zegt: 'Terrorisme is [slechts] een efficiënte [...] strategie doordat geweld zo ongelooflijk uitzonderlijk is geworden. [En:] Terroristen kunnen de fundamenten van onze samenleving niet raken, dat kunnen we alleen zelf, door overtrokken te reageren.'

Dames en heren, ik ga echt afsluiten. Mijn boodschap zal duidelijk zijn: wij mogen onze zegeningen tellen en wij moeten ons niet gek laten maken door cynici, wij hebben alle reden om te vertrouwen op de initiatieven van vrije burgers, initiatieven die het samenleven en ook de wereld beter kunnen maken, laat ons begrip het onverwachte verwachten en laat ons in principe vergevingsgezind zijn. Wees fair in kritiek op het Binnenhof en onderken de vooruitgang op wereldschaal. Het gaat echt beter.

Een van mijn vooraf meelezende schoonzoons merkte op dat op dit punt het koor zou moeten inzetten met de Beatle-song ‘Getting better’: ‘It’s getting better all the time!’ Er zijn leden van mijn zangkoor hier aanwezig, maar daar is niet voor geoefend en dat gaat dus niet door.

En het wordt trouwens tijd dat ik mezelf ook eens ga tegenspreken. Ik ben een tamelijk blij mens, maar ik ontleen mijn blije kijk op de dingen niet alleen op politieke of maatschappelijke of historische beschouwingen. Ik houd ook erg van literatuur, daaronder begrepen soms poëzie, en dan gaan er toch heel andere registers open. Hoewel, als ik u helemaal tot slot nog een ballade voor mag dragen uit de Dreigroschenopera van Bertolt Brecht (uit 1928), dan doe ik dat omdat hierin de tragiek van menselijk streven wordt getroffen, in een satire, maar in die satire, in die spot, voel ik toch ook weer empathie, sympathie voor diezelfde strevende mens.

Het gaat om de ‘Ballade von der Unzulänglichkeit menschlichen Planens’ ofwel de ‘Ballade van de ontoereikendheid van de plannen die mensen maken’:

Der Mensch lebt durch den Kopf.
Sein Kopf reicht ihm nicht aus.
Versuch es nur, von deinem Kopf
Lebt höchstens eine Laus.
Denn für dieses Leben
Ist der Mensch nicht schlau genug.
Niemals merkt er eben
Diesen Lug und Trug.


In de vertaling van Geert van Istendael en Koen Stassijns:
De mens leeft met zijn kop.
Zijn kop is vaak abuis.
Probeer het maar, ook van jouw kop
Leeft op zijn hoogst een luis.
Voor dit aardse leven
Is de mens gewoon te dom.
Niet in list bedreven,
Voor bedrog te stom.

Tweede couplet:

Ja, mach nur einen Plan!
Sei nur ein grosses Licht!
Und mach dann noch ‘nen zweiten Plan
Gehn tun sie beide nicht.
Denn für dieses Leben
Ist der mensch nicht schlecht genug.
Doch sein höhres Streben
Ist ein schöner Zug.


Ja, maak jij maar een plan!
Wees jij maar een groot licht!
En maak dan nog een ander plan,
Nooit zijn ze waterdicht.
Voor dit aardse leven
Is de mens gewoon te goed.
Doch zijn hoger streven
Is toch o, zo zoet.


Ik heb nog 2 coupletten voor u, laat ik het bij het Nederlands houden:

Ja, renn nur nach dem Glück
Doch renne nicht zu sehr
Denn alle rennen nach dem Glück
Das Glück rennt hinterher.
Denn für dieses Leben
Ist der Mensch nicht anspruchslos genug.
Drum ist all sein Streben
Nur ein Selbstbetrug.

Ja, loop naar het geluk
Maar loop niet ver vooraan,
Eenieder loopt naar het geluk,
’t Geluk loopt achteraan.
Voor dit aardse leven
Is de mens te ijdel toch.
Daarom is zijn streven
Enkel zelfbedrog.

Tenslotte:

Der Mensch ist gar nicht gut
Drum hau ihm auf den Hut.
Hast du ihm auf den Hut gehaun
Dann wird er vielleicht gut.
Denn für dieses Leben
Ist der Mensch nicht gut genug
Darum haut ihm eben
Ruhig auf den Hut!

De mens is toch niet goed,
Dus mep hem op zijn hoed.
Heb jij hem op zijn hoed gemept
Dan wordt hij misschien goed.
Voor dit aardse leven
Is de mens niet goed genoeg.
Mep hem daarom even
Rustig op zijn hoed!


Ik dank u voor uw aandacht!